overpeinzingen van Laura
10 februari
Als ik moe ben kost het een stuk meer moeite, maar het is het waard om feedback te geven op een goede manier heb ik vandaag weer gezien. Op de een of andere manier lukt het Marten en mij om alles in het ziekenhuis voor elkaar te krijgen zoals wij dat graag willen, op alle verschillende afdelingen steeds weer, zonder met de vuist op tafel te slaan, te huilen of cynisch te worden. Het is natuurlijk geven en nemen. Maar de grens van geven voor mij is erg duidelijk: zolang het maar in het belang van Saar is. En als de belerende mens die ik, kom op, dat is jullie allemaal allang duidelijk, in hart en nieren ben, is het mooi om te zien dat de verplegers er af en toe ook nog wat van opsteken:-).
9 februari
Op dit moment, het is nu vrijdag 9 februari, ben ik een stuk minder lief. Mijn schil van beschaafdheid en beleefdheid is op. Ik merk nu dat ik behoorlijk toegeleefd heb naar de hartoperatie van Saar. Nu ik weet dat die gelukt is, valt er een we-zijn-nog-niet-van-de-snelweg-af-gevoel van me af, kortom, we zitten eindelijk weer in de bebouwde kom. Dus nu kunnen we slapen, dat wil zeggen, zo voel ik me nu de hele dag. Dat slapen komt er nog niet zo van, bijvoorbeeld omdat de kinderafdeling van het LUMC heeft bedacht dat je daar als ouder overdag niet mag slapen (en dus liggen er regelmatig slapende ouders op de bank in de ouderkamer waar het medisch personeel geacht wordt niet te komen). Daarnaast zijn mijn hersenen overprikkeld, al was dat maar van alle quests, zsana's, volkskranten en het guinness book of records die ik de afgelopen week heb gelezen tijdens mijn bedzituurtjes in het ziekenhuis (hé, zie ik hier weer een bewijs van het testosteron in mij? Horen vrouwen niet gewoon de esta of de starstyle te lezen?). Zo blijk ik gewoon weer menselijk, schijnt. Alle remmen op mijn agenda dus even de komende tijd.
eerste periode
Achteraf gezien heb ik steeds een gevoel gehad. De zwangerschap verliep heel goed en ongecompliceerd. Ik was ervan overtuigd dat we een jongetje zouden krijgen, want het voelde overwegend hetzelfde als tijdens de zwangerschap van Kobus. En ik had, net als tijdens Kobus' zwangerschap, minder armharen. In mijn eigen brein had ik daar een theorie op bedacht, namelijk dat mijn eigen testosteron (waar ik als vrouw toch echt een behoorlijke dosis van heb, al was het maar voor die armharen) natuurlijk nodig was voor het, mannelijke dus, kindje. Exit theorie armharen. Wat anders was aan deze zwangerschap was dat onbestemde gevoel. Ik voelde het kindje een stuk minder bewegen dan Kobus. En ik had al vragen aan de verloskundige gesteld in de orde van: kun je voelen als je een gehandicapt kindje draagt? die tijdens mijn eerste zwangerschap niet in mijn hoofd waren opgekomen.
Op de geboorte van Saar ben ik heel trots. Door de wat ingewikkelde bevalling van Kobus was mijn zelfvertrouwen op het gebied van kinderen baren behoorlijk ingedeukt. Bij de geboorte van Sarah is dat gelukkig weer goed gekomen. Ik kan dat dus best goed, kinderen baren. (Dit lijkt mij dan ook een tip voor vrouwen die onzeker zijn geworden van de bevalling van hun eerste kind: doe nog een kind!) Toen Saar er net uit was gefloept zei de verloskundige: de navelstreng is te kort om haar op je buik te leggen. Ik dacht dat ze een fout maakte, het was tenslotte een jongetje. Toen ik haar zag, okee, het was inderdaad een meisje, was ik vooral verbaasd over haar postuur, zo ongelooflijk klein! Dat was toch niet mijn kindje, zo klein? Dat kon nooit goed zijn, zo'n klein kindje. De verloskundige sprak hardop haar eigen gedachten uit: ze is erg klein, maar wel in proportie, en haar apgarscore is goed. Toen ik Saar in haar bijzondere oogjes wilde kijken, keek ze een beetje langs me heen, ik kreeg geen contact. Dat verbaasde mij óók. Ik keek toen direct in haar handjes om te zien of zij een mongolenlijn (mag ik van de stichting Down syndroom niet zeggen heb ik nu begrepen, het is een Down-syndroom-lijn, of officieel: de viervingerlijn) heeft. Maar toen wist ik nog niet hoe die er eigenlijk uitziet, dus toen wist ik nog niet of ik nou een mongooltje (sorry Down stichting, maar dit woord zit echt in mijn hoofd en ik bedoel het niet rot) had gebaard of niet. Nou ja, maakte eigenlijk toch niet uit. Aangezien de verloskundige er niet over begon, deed ik dat ook niet, ik had wel wat anders aan mijn hoofd, ik had namelijk net een dochter gekregen!
Een paar uur later wilde ik toch wel weten of ze nou Down had of niet. Dus ik vroeg het aan onze kraamhulp met 17 jaar ervaring. Zij had nog nooit een kindje met Down gekraamd (of hoe zeg je dat?) maar ze was ervan overtuigd dat Sarah geen down kon hebben. Ze probeerde ons lief gerust te stellen, maar mijn nieuwsgierigheid was niet bevredigd. Dus begon ik er tegen de inmiddels uitgenodigde familieleden over. En natuurlijk tegen Marten. En uiteindelijk nog een paar uur later tegen een tweede verloskundige, José, die bij ons langs kwam om mij een rhesusprik te geven omdat ik rhesusnegatief bloed heb. Ik vroeg haar of zij een kindje met Down kan herkennen, zij nam mijn vraag serieus, deed een kort onderzoekje bij Saar, kon mijn twijfel zeker niet wegnemen, zei ze en belde het ziekenhuis in Leiderdorp. Daar konden we direct terecht, zie verder de dagverslagen. Inmiddels was ik er eigenlijk zeker van dat ons nieuwe poepie Down had, voor Marten was het nog even wennen. Hij wist het op het moment dat hij naar het gezicht keek van José vertelde hij me later.
Ik ben in die eerste dagen echt getroffen door hoe mijn grote poep, Marten, met alles omging. We bleken zo op 1 lijn te zitten! En deze situatie hadden we elkaar nog niet eerder voorgelegd in een wat-zou-jij-doen-alsje. Blijkt nu dus dat zowel Marten als ik heel goed in het moment kunnen leven in crisissituaties, wat dan heel handig is. Daardoor bleven we allebei heel rustig en lief.
